Nieuwsitems

Homostel moet kosten draagmoeder kunnen aftrekken van belasting

28 juli, 2021

Als twee mannen samen een kind krijgen, zouden ze de kosten van de ivf-behandeling van de draagmoeder moeten kunnen aftrekken van hun inkomstenbelasting. Dat kan nu niet en dat is discriminerend, oordeelt de rechtbank in Arnhem. Die wil dat de Tweede Kamer opnieuw naar de regels gaat kijken.

De zaak was aangespannen door een homostel uit Gelderland. De twee mannen waren in 2016 naar de Verenigde Staten gegaan, zodat ze dankzij een draagmoeder samen een kind konden krijgen.

In 2018 werd hun kind geboren, en vervolgens voerde een van de twee mannen de kosten op als aftrekpost voor de inkomstenbelasting. De Belastingdienst wees dat af, omdat de twee mannen niet onvruchtbaar, ziek of invalide zijn.

Twee mannen kunnen nooit op een natuurlijke manier samen een kind krijgen, en de rechtbank vindt dat er “geen relevant verschil” is met een vrouw die vanwege onvruchtbaarheid niet zwanger kan worden. Zij kan die medische kosten wel aftrekken van de belasting, en dat is volgens de rechter discriminatie.

BRON: NOS, 28 juli 2021

Honden- en kattenverbod in een appartementencomplex

26 juni, 2021

Kan een algeheel verbod tot het houden van honden en katten in een appartementencomplex bij huishoudelijk regelement geregeld worden? Het Hof Den Bosch heeft zich op 9 mei 2019 over deze vraag uitgesproken, en in een vergelijkbare zaak heeft de Rechtbank Limburg op 9 juni 2021 de uitspraak van het Hof gevolgd.

Het Hof heeft onder meer het volgende overwogen: “Het hof is van oordeel dat een algeheel verbod op het houden van honden en katten […] geen regel van orde vormt maar een principiële beperking van de gebruiksmogelijkheid van het appartementsrecht. Iedere permanente aanwezigheid van een hond of kat in het gezin van een gebruiker van het appartementsrecht wordt aldus […] uitgesloten ook indien geen enkele overlast of hinder wordt veroorzaakt, en/of ook indien sprake is van een blindengeleidehond of hulphond. […] Aldus wordt de appartementseigenaar in algemene zin en onvoorwaardelijk beperkt in een deel van zijn of haar gebruik, ongeacht de wijze waarop hij of zij dit gebruik vorm wenst te geven. Aan de vastgestelde beperking (in algemene zin en onvoorwaardelijk) van het gebruik […] doet niet af dat het slechts om katten en honden zou gaan en niet om een verbod op alle huisdieren. […]

Regels omtrent gedrag van honden en katten, bijvoorbeeld het niet veroorzaken van overlast door bijvoorbeeld overdadig geluid en/of het bevuilen van gemeenschappelijke ruimten, zijn daarentegen wel regels van orde. Deze kunnen immers ook ten aanzien van bewoners zelf worden geformuleerd, zoals een verbod op overlast door geluid, waaronder die door muziekinstrumenten, gedurende bepaalde delen van de dag.”

Kortom, een algeheel verbod tot het houden van honden en katten kan conform artikel 5:112 lid 4 BW uitsluitend in het splitsingsreglement worden opgenomen en niet in het huishoudelijk reglement.

Wat betekent de WBTR voor Stichtingen?

26 mei, 2021

Op 1 juli 2021 treedt de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (WBTR) in werking. Deze wet leidt introduceert onder meer voor stichtingen een wettelijke regeling over tegenstrijdig belang. Ook zijn er bepalingen over meervoudig stemrecht en ontstentenis en belet. Wat betekent deze wet bij certificering, familiestichtingen, stichtingen die bewindvoerder of executeur zijn, en afwikkelingsstichtingen?

Ten eerste het tegenstrijdig belang. Thans (voor 1 juli 2021) bevat de wet geen regeling over tegenstrijdig belang dat de stichting kan hebben met één of meer van haar bestuurders. Een vertegenwoordigingsbevoegd bestuurder met een tegenstrijdig belang kan als hoofdregel daarom rechtsgeldig de stichting vertegenwoordigen. De statuten kunnen een tegenstrijdig belangregeling behelzen, maar die heeft in beginsel slechts interne werking en kan dus niet aan derden worden tegengeworpen. In de literatuur wordt hier overigens ook wel anders over gedacht.

In de WBTR wordt een wettelijke regeling voor tegenstrijdig belang bij stichtingen geïntroduceerd. De hoofdregel houdt in dat een bestuurder niet deelneemt aan de beraadslaging en de besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting en de met haar verbonden onderneming of organisatie.

Wanneer hierdoor geen bestuursbesluit kan worden genomen, wordt het besluit genomen door het toezichthoudend orgaan. Hiervan is sprake als de stichting maar één bestuurder heeft of als alle bestuurders een tegenstrijdig belang hebben. Omdat een toezichthoudend orgaan voor een stichting niet wettelijk is voorgeschreven, zal dit er niet altijd zijn. Ontbreekt dit toezichthoudend orgaan, dan gaat de regel gelden dat het bestuur de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen schriftelijk vastlegt. Dit kan bijvoorbeeld door de betreffende overwegingen in de notulen van de bestuursvergadering op te nemen of daaraan te hechten.

De regeling bepaalt evenwel ook dat de statuten anders kunnen bepalen. Bijvoorbeeld door andersoortige aanvullende eisen te stellen, dan wel doordat de aan het besluit ten grondslag liggende overwegingen niet schriftelijk door het bestuur behoeven te worden vastgelegd indien geen toezichthoudend orgaan is ingesteld.

Ook komt er een tegenstrijdig belangregeling voor leden van het toezichthoudend orgaan. Een commissaris neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting en de daaraan verbonden onderneming of organisatie. Indien alle leden van dit orgaan een direct of indirect persoonlijk belang hebben dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting en de met haar verbonden onderneming of organisatie, legt het toezichthoudend orgaan de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen schriftelijk vast, tenzij de statuten anders bepalen.

Dan het meervoudig stemrecht. De Wet bestuur en toezicht rechtspersonen bevat een regeling over het meervoudig stemrecht. Bepaald is dat een bepaalde bestuurder of commissaris van een stichting, niet meer stemmen kan uitbrengen dan de andere bestuurders respectievelijk commissarissen tezamen. Voorts is een bepaling van overgangsrecht aangenomen, op grond waarvan, kort gezegd, een andersluidende bepaling vijf jaar na inwerkingtreding van de wet niet meer geldt en voorts een dergelijke andersluidende regeling bij de eerstvolgende statutenwijziging uit de statuten moet worden verwijderd.

Ten slotte ontstentenis en belet. De Wet bestuur en toezicht rechtspersonen schrijft voor dat er een statutaire regeling dient te zijn voor het geval van ontstentenis of belet van alle bestuurders of alle commissarissen. Daarnaast kunnen de statuten voorschriften bevatten voor het geval van ontstentenis of belet van één of meer bestuurders respectievelijk commissarissen. In de statuten kan voorts nader worden bepaald wanneer sprake is van belet.

Ook deze bepaling is aangevuld met een bepaling van overgangsrecht. Op basis van deze overgangsregel kan de rechtspersoon die nog geen statutaire ontstentenis- en beletregeling heeft, aan de wettelijke regeling voldoen door bij de eerstvolgende statutenwijziging alsnog een dergelijke regeling op te nemen. Aanpassen hoeft dus niet direct, maar worden de statuten herzien, dan moet een statutaire regeling over ontstentenis en belet worden opgenomen.