Nieuwsitems

Wat betekent de WBTR voor Stichtingen?

26 mei, 2021

Op 1 juli 2021 treedt de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (WBTR) in werking. Deze wet leidt introduceert onder meer voor stichtingen een wettelijke regeling over tegenstrijdig belang. Ook zijn er bepalingen over meervoudig stemrecht en ontstentenis en belet. Wat betekent deze wet bij certificering, familiestichtingen, stichtingen die bewindvoerder of executeur zijn, en afwikkelingsstichtingen?

Ten eerste het tegenstrijdig belang. Thans (voor 1 juli 2021) bevat de wet geen regeling over tegenstrijdig belang dat de stichting kan hebben met één of meer van haar bestuurders. Een vertegenwoordigingsbevoegd bestuurder met een tegenstrijdig belang kan als hoofdregel daarom rechtsgeldig de stichting vertegenwoordigen. De statuten kunnen een tegenstrijdig belangregeling behelzen, maar die heeft in beginsel slechts interne werking en kan dus niet aan derden worden tegengeworpen. In de literatuur wordt hier overigens ook wel anders over gedacht.

In de WBTR wordt een wettelijke regeling voor tegenstrijdig belang bij stichtingen geïntroduceerd. De hoofdregel houdt in dat een bestuurder niet deelneemt aan de beraadslaging en de besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting en de met haar verbonden onderneming of organisatie.

Wanneer hierdoor geen bestuursbesluit kan worden genomen, wordt het besluit genomen door het toezichthoudend orgaan. Hiervan is sprake als de stichting maar één bestuurder heeft of als alle bestuurders een tegenstrijdig belang hebben. Omdat een toezichthoudend orgaan voor een stichting niet wettelijk is voorgeschreven, zal dit er niet altijd zijn. Ontbreekt dit toezichthoudend orgaan, dan gaat de regel gelden dat het bestuur de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen schriftelijk vastlegt. Dit kan bijvoorbeeld door de betreffende overwegingen in de notulen van de bestuursvergadering op te nemen of daaraan te hechten.

De regeling bepaalt evenwel ook dat de statuten anders kunnen bepalen. Bijvoorbeeld door andersoortige aanvullende eisen te stellen, dan wel doordat de aan het besluit ten grondslag liggende overwegingen niet schriftelijk door het bestuur behoeven te worden vastgelegd indien geen toezichthoudend orgaan is ingesteld.

Ook komt er een tegenstrijdig belangregeling voor leden van het toezichthoudend orgaan. Een commissaris neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting en de daaraan verbonden onderneming of organisatie. Indien alle leden van dit orgaan een direct of indirect persoonlijk belang hebben dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting en de met haar verbonden onderneming of organisatie, legt het toezichthoudend orgaan de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen schriftelijk vast, tenzij de statuten anders bepalen.

Dan het meervoudig stemrecht. De Wet bestuur en toezicht rechtspersonen bevat een regeling over het meervoudig stemrecht. Bepaald is dat een bepaalde bestuurder of commissaris van een stichting, niet meer stemmen kan uitbrengen dan de andere bestuurders respectievelijk commissarissen tezamen. Voorts is een bepaling van overgangsrecht aangenomen, op grond waarvan, kort gezegd, een andersluidende bepaling vijf jaar na inwerkingtreding van de wet niet meer geldt en voorts een dergelijke andersluidende regeling bij de eerstvolgende statutenwijziging uit de statuten moet worden verwijderd.

Ten slotte ontstentenis en belet. De Wet bestuur en toezicht rechtspersonen schrijft voor dat er een statutaire regeling dient te zijn voor het geval van ontstentenis of belet van alle bestuurders of alle commissarissen. Daarnaast kunnen de statuten voorschriften bevatten voor het geval van ontstentenis of belet van één of meer bestuurders respectievelijk commissarissen. In de statuten kan voorts nader worden bepaald wanneer sprake is van belet.

Ook deze bepaling is aangevuld met een bepaling van overgangsrecht. Op basis van deze overgangsregel kan de rechtspersoon die nog geen statutaire ontstentenis- en beletregeling heeft, aan de wettelijke regeling voldoen door bij de eerstvolgende statutenwijziging alsnog een dergelijke regeling op te nemen. Aanpassen hoeft dus niet direct, maar worden de statuten herzien, dan moet een statutaire regeling over ontstentenis en belet worden opgenomen.

Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen (WBTR)

25 mei, 2021

Op 1 juli 2021 wordt de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (WBTR) van kracht. Deze wet is bedoeld om bestuur en toezicht van verenigingen en stichtingen te verbeteren. Er zijn regels opgesteld over taken, bevoegdheden, verplichtingen en aansprakelijkheid. De overheid wil met de wet voorkomen dat wanbestuur, onverantwoordelijk financieel beheer, zelfverrijking, misbruik van posities en andere ongewenste activiteiten verenigingen en stichtingen schaden.

De nieuwe wet ziet daarom op de inrichting van organisaties die meerdere organen hebben in het kader van bestuur en toezicht, bijvoorbeeld:

– bestuur en directie: iedere directeur wordt dan als procuratiehouder ingeschreven bij de KvK;

– één bestuur met twee soorten bestuurders (bijvoorbeeld algemeen bestuur en dagelijks bestuur);

– bestuur en raad van toezicht.

In de WBTR is vastgelegd dat een organisatie een toezichthoudend orgaan kán hebben, en op welke wijze dat kan, namelijk door (i) een one-tier board of (ii) een raad van commissarissen op te nemen in de statuten.

1) Een one-tier board is een monistisch bestuursmodel. De toezichthouders maken dan deel uit van het bestuur. Er is dus geen separate raad van commissarissen, maar wel een bestuur waarin zowel de besturende bestuurders (= uitvoerende bestuurders of ‘executives’) als de toezichthoudende bestuurders (= niet-uitvoerende bestuurders of ‘non-executives’) zitten. Een verondersteld voordeel van dit bestuursmodel is dat de toezichthoudende bestuurders in vergelijking met ‘echte’ commissarissen meer betrokken zijn bij het dagelijkse bestuur en zij ook nauwer toezicht kunnen houden op de gang van zaken.

2) De raad van commissarissen is een op zichzelf staand toezichthoudend orgaan. Anders dan bij een one-tier board zijn er dus geen uitvoerende en toezichthoudende bestuurders, maar is er een bestuur en een separate raad van commissarissen als toezichtsorgaan. Dat wordt een dualistisch bestuursmodel of een ‘two-tier-board’ genoemd. Een raad van commissarissen mag bij een stichting of vereniging ook ‘raad van toezicht’ heten. In alle gevallen geldt dat alleen natuurlijke personen een toezichthoudende functie kunnen vervullen.

Overigens blijft ook het (eenvoudige) bestuursmodel en het directiemodel mogelijk.

Stichting en verenigingen zijn niet verplicht een raad van commissarissen in te stellen op basis van de nieuwe wet. Dat blijft in principe een keuze, tenzij sectorspecifieke regelgeving daartoe verplicht. Die sectorale regels kunnen de instelling van een one-tier board verbieden. Dat is onder meer het geval bij woningcorporaties, zorginstellingen, banken en verzekeraars. Zij moeten dus een ‘echte’ RvC instellen. Onderwijsinstellingen kunnen wel voor een one-tier board kiezen.

Indien er in de huidige statuten bepalingen staan die niet stroken met de nieuwe wet, dan vervallen die bepalingen automatisch door het overgangsrecht. Een organisatie is niet verplicht om de statuten aan te passen, maar bij een volgende statutenwijziging moeten de regels van de WBTR wel in acht genomen worden.

Voorlopig geen boete voor ontbreken energielabel

23 april, 2021

Het nieuwe energielabel heeft gezorgd voor een tekort aan energieadviseurs. Daarom heeft minister Kajsa Ollongren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties besloten dat woningeigenaren tot 1 juli 2021 geen boete krijgen voor het niet aanvragen van een energielabel voor de verkoop van een huis. Voorwaarde is wel dat ze hebben geprobeerd het label tijdig te registreren.

De meeste aanvragen voor een energielabel verlopen zonder problemen. Dat schrijft de minister in een Kamerbrief (pdf). Toch komt het soms voor dat mensen niet op tijd een energieadviseur kunnen vinden. De minister verwacht dat het aantal adviseurs zal toenemen, deze beter vindbaar zullen zijn en dat uitschieters in de prijzen en doorlooptijden daardoor zullen afnemen. Bij de introductie van het nieuwe energielabel op 1 januari dit jaar was de verwachting dat dit gemiddeld 190 euro zou gaan kosten. De website woninglabel.nl berekende echter dat de gemiddelde prijs in februari op 256 euro lag.

Een energielabel is nodig als een huiseigenaar zijn woning wil verkopen of verhuren. De notaris dient de verkoper te wijzen op de wettelijke verplichting tot overhandiging van het energielabel.